Musis Sacrum Bakel

MSB historie 1874 – 1899

DE OPRICHTING

Bakel anno 1874. Een klein dorp aan de rand van de Peel. Samen met Milheeze een gemeente met ongeveer 1800 inwoners. Bakel kende geen enkele vorm van industrie en de hoofdbron van inkomsten kwam van de talrijke boerderijen. Het dorp Bakel bestond uit een klein centrum en een aantal gehuchten, waar enkele boerderijen bij elkaar stonden, kleine leefgemeenschappen buiten het centrum. Enkele gehuchten waren: Grotel, Neerstraat, Overschot, Zand, Geneneind, Nuyeneind, Esp, Mathijseind en de Bakelse brug. In het centrum vond men de kerk met daaromheen enkele boerderijen waarin enkele zaken gevestigd waren die voor het dagelijkse leven van belang waren, zoals een hoefsmid, een bakker en een paar cafés. Het dagelijkse leven bestond voor de meeste mensen uit hard werken voor een klein salaris. De mensen waren niet rijk. Vrije tijd was schaars en de keuze in mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding was ook niet groot. Men vond vermaak in één van de vele schietverenigingen met hand- of kruisboog of op de populaire beugelbaan. Het lidmaatschap van het St. Willibrordusgilde was voorbehouden aan mensen van boerenstand. Wie wilde zingen kon terecht bij het kerkkoor. Al deze verenigingen bestonden uit mannen. Vrouwen bleven thuis en zorgden voorhet gezin. De kerk drukte een zware stempel op het dagelijkse leven en afwijkend gedrag werd niet toegestaan. De pastoor genoot groot aanzien. Voor veel zaken was vooraf toestemming nodig van de pastoor en die werd lang niet altijd verleend. Het was een stil dorp waar niet veel te beleven viel. De leden van het kerkkoor mochten in de kerk alleen religieuze liederen ten gehore brengen en waren om die reden ook nog buiten de kerk actief als zanger bij liedertafel ‘Cecilia’. Een gezelschap wat in 1860 al bestond. Men was thuis in de herberg van Johannes Vermulst. Daar zong men de populaire liederen uit die tijd. Men repeteerde en gaf uitvoeringen. Viel er in het dorp iets te vieren, of was er een officiële gebeurtenis, dan deed men vaak een beroep op de liedertafel, die dan een muzikale hulde verzorgde met haar liederen. De dirigent van de liedertafel was Joannis Goossens uit Deurne. Op muzikaal gebied was er in Bakel verder weinig te doen. Het orgel in de kerk en de trom van het Gilde waren vrijwel de enige instrumenten in het dorp.
Op 12 mei 1874 vierde Zijne Koninklijke Hoogheid, Koning Willem III, zijn zilveren regeringsjubileum en heel Nederland vierde feest. In enkele plaatsen rond Bakel werden ballonwedstrijden voor de jeugd georganiseerd en ’s avonds was er vuurwerk. In Bakel vierde men het jubileum met een sierlijke optocht die door het dorp trok. De leden van liedertafel ‘Cecilia’ liepen voorop en zongen vaderlandse liederen die de gemeente speciaal voor dit doel had aangeschaft. Tijdens het zingen van die vaderlandse liederen constateerde men een duidelijk gebrek aan muzikale begeleiding. Dit was voor de leden van de liedertafel reden om een fanfare op te richten. De namen van de eerste werkende leden werden genoteerd en die groep bestond uit ongeveer 12 personen. Enkele namen wisten we te achterhalen, waaronder Kees van de Aa, Justinus Kanters, Hannes en Johan Habraken en de vier gebroeders Jaspers, te weten: Christ, Peter, Hannes en Karel. Omdat 24 mei ook wel eens als oprichtingsdatum wordt genoemd, mogen we aannemen, dat de prille fanfare enige gestalte begon te krijgen. Er werd een bestuur gevormd bestaande uit een voorzitter of “President”, twee commissarissen en een secretaris, tevens penningmeester. Het bestuur noemde zichzelf ‘De Directie’ en de directie was de baas. De fanfare moest een naam hebben. Het werd ‘MUSIS SACRUM’, wat zoveel betekent als “Gewijd aan de muzen” (de muzen zijn de nymphen uit de muziek). Omdat er in elke vereniging bepaalde regels zijn waar elk lid zich aan dient te houden, stelde de directie een “ Reeglement” op. Dat “Reeglement” had zo’n professioneel karakter, dat het vandaag nog steeds een goede leidraad zou vormen. Art. 1 Het muziekgezelschap onder de zinspreuk Musis Sacrum, zal bestaan uit werkende en eereleden te beheeren door eene Directie bestaande uit een president, twee commissarissen en een secretaris, tevens penningmeester. Volgens het reglement werd er wekelijks een vaste contributie geïnd. Het bedrag is onbekend, omdat dit op het reglement niet is ingevuld. Hij die werkend lid wilde worden, moest eerst tegenover de directie en muziekdirecteur “eenig bewijs van bekwaamheid in de beginselen der muziek desgevorderd” kunnen afleggen. Dan pas werd hij door één der leden van de directie voorgedragen, wat door de secretaris 8 dagen voor de ballotage op de repetitie werd voorgelezen. Dan werd er gestemd, of beter gezegd “geboond” en had men na de stemming de “grootste helft der stemmen, dan zal de candidaat als aangenomen beschouwd worden”. Elk lid was verplicht om elke repetitie of vergadering op de aangegeven tijd aanwezig te zijn en de gehele repetitie of vergadering te blijven. Een half uur te laat betekende een boete van 5 cent. Niet komen betekende een boete van 10 cent! Men was van de repetitie of vergadering verschoond als men door ziekte of ongesteldheid verhinderd was, of zich buiten de gemeente bevond. “Mits zij met eigen hand geschreven briefje voor de aanvang der bijeenkomst daarvan kennis geeft”. De directie, in overleg met de muziekdirecteur, regelde welke muziek er werd gespeeld en beoordeelde tevens welk lid er voor welk instrument geschikt was. Tijdens de repetitie of uitvoering was het “ten strengste verboden door gebaren, roepen of geweld van welken aard ook, het de directeur of de leden lastig te maken”. Niemand mocht er “alleen blazen, noch op eigen noch op anders instrument dan na goedvinden van de directeur”. Iedereen moest de instructie van de muziekmeester opvolgen om “zoot doel te bereiken, om goede stukken te kunnen uitvoeren”. Niemand zal “het regt hebben tegen te pruttelen of brutaal te zijn tegen de muziekdirecteur of de directie.” enz. Zoals u ziet zouden deze regels vandaag de dag niks misstaan. Het eerder genoemde stemmen of beter “boonen” is een oud gebruik, waarbij men witte en zwarte bonen gebruikt om voor of tegen te stemmen. Omdat vroeger veel mensen niet konden lezen of schrijven, was dit een erg praktisch middel dat vaak werd toegepast. Tegenwoordig is het bij het Bakels St. Willibrordusgilde nog steeds in gebruik. In een vergadering uit de jaren vijftig, besloot het bestuur om het “boonen” ook bij de fanfare weer in te voeren. Het is er echter nooit van gekomen. Nu het “reeglement” was opgesteld, zocht men een geschikte dirigent of muziekdirecteur. Die vond men in de persoon van Joannis Goossens uit Deurne. Bij de leden van de liedertafel reeds bekend als bekwaam dirigent. Die eerste dirigent, Joannis Goossens, woonde in 1874 in Gemert, maar kwam oorspronkelijk uit Deurne en werd daar op 30 mei 1846 als zoon van een wever geboren. Hij was een druk bezet man en zijn beroep staat in de burgerlijke stand vermeld als muziekmeester. In de periode 1874-1895 was hij onder andere dirigent van liedertafel ‘Cecilia’ Bakel, fanfare Musis Sacrum Bakel, fanfares Deurne, Someren, Aarle-Rixtel en Lieshout. Hij stond voor ‘Phileutonia’ en Nederlands eerste fabrieksfanfare de ‘Begemann fanfare’. Verder werd hij gevraagd als adviseur tijdens de oprichting van harmonie Oefening en Uitspanning uit Beek en Donk. Ook verkocht hij muziekinstrumenten, getuige onze oudste rekening van instrumenten uit 1874, gericht aan Goossens te Gemert. Als we kijken naar het grote aantal muziekgezelschappen waar Goossens dirigeerde, komen we tot de conclusie dat hij enorm veel gereisd moet hebben, om al die repetities te leiden.
De vervoersmiddelen van toen waren langzaam en veel keus was er niet. Men kon met de trein voor zover als die er liep. Men kon te paard, te voet of met de fiets of men reisde per rijtuig. Hoe dan ook, hij was uren onderweg. Daarbij nog opgeteld dat de meeste wegen onverhard en slecht onderhouden waren. Bijvoorbeeld de weg Boekel, Gemert, Bakel, Deurne, Vlierden werd pas in 1880 een zogenaamde “kunstweg”, wat betekende dat hij werd verhard. Die “kunstweg” speelde in het ontstaan van de fanfare nog een belangrijke rol. Om instrumenten aan te kopen moest men geld bezitten en dat had de prille fanfare niet. Dus zocht men iemand bij wie men kon lenen. Notaris Carel Lodewijk van Riet uit Deurne, was in die tijd bezig met de aankoop van stukken grond, die nodig waren om de “kunstweg” van Bakel naar Deurne te realiseren. Door de Bakelse fanfare een lening te verstrekken, zodat men in staat was instrumenten te kopen, stemde hij in Bakel diverse mensen tevreden en dat kwam bij de grondaankopen voor de “kunstweg” weer goed van pas. Musis Sacrum leende Fl. 300,- tegen 4% rente per jaar! Nu men geld had, konden er instrumenten worden aangeschaft. Men wist ook in die tijd wel dat je met zo’n bedrag geen bokkensprongen kon maken. Het geluk wilde dat de muziekdirecteur Joannis Goossens ook instrumenten verkocht en de eerste paar instrumenten werden bij hem gekocht. Ook werd er een muziekboek gekocht voor de theorieles, zodat elk lid de noten die men moest spelen ook zelf kon lezen. De muziekdirecteur kwam natuurlijk niet voor niets en hij kwam met de directie overeen dat hij twee gulden per repetitie zou ontvangen, een fors bedrag in die tijd! Op 5 juli 1874 repeteerde de fanfare voor de eerste keer. Niemand had ooit op een instrument geblazen. Er waren maar enkele instrumenten beschikbaar en dat was dus een probleem. Om aan het trillen van de lippen tegen het instrument te wennen moesten de blazers veel oefenen op een kam met daaromheen een dun papiertje dat, wanneer men er op blies, een vorm van trilling tegen de lippen veroorzaakte. Toen natuurlijk een vreemd gevoel. Omdat in de regio Helmond pas rond 1880 de eerste kranten verschenen, plaatste men in de ‘Bosche Courant’ een bericht van de oprichting en tevens de aankondiging van de eerste repetitie. Omdat de fanfare voortkwam uit de liedertafel ‘Cecilia’ en de dirigent dezelfde bleef, is het niet ondenkbaar dat de eerste repetities plaatsvonden in de herberg van Johannes Vermulst. Dit was immers de plek waar de liedertafel repeteerde. Het geringe aantal instrumenten wat de fanfare bezat, zorgde ervoor dat de rest gewoon bleef zingen. Het gebrek aan instrumentarium blijkt uit een later in dit boek getoonde brief van burgemeester van Neerven, die vertelt dat men zich “door opnemen van eenige gelden, gedeeltelijk wist te voorzien”. Het doel waarvoor de fanfare was opgericht, onder andere het muzikaal begeleiden van de liedertafel, was met een klein en incompleet instrumentarium natuurlijk best mogelijk. Op de eerste repetities ontdekte men het probleem dat ontstond, wanneer men de bladmuziek plat op tafel legde en tegelijkertijd probeerde te lezen en te blazen. Daarom kocht men op 8 augustus voor tien gulden een aantal houten lessenaars. Omdat er nog geld was en er een aantal belangrijke instrumenten ontbraken, toog muziekdirecteur Goossens op 20 augustus 1874 naar Brussel en kocht bij de nog steeds bestaande instrumentenfabriek ‘Mahillon’ een aantal instrumenten. Hij kocht een tenorbas, een grote koperen trom met spantouwen en een paar bekkens. Men telde het bedrag op waarop Goossens waarschijnlijk zei: “Nee, niet in francen maar in guldens”. Hij zag dat hij nog geld over had en kocht een “parijzer cornet”, weer telde men op en hij bleek nog steeds geld te hebben, dus kocht hij 12 muziekschriften en tenslotte gaf hij zijn laatste kwartje uit aan een maatstok. Eindbedrag Fl. 177,06. De geleende Fl. 300,- waren een heel eind op, maar men had weer enkele instrumenten er bij! Omdat in Helmond en Deurne al sinds 1 mei 1866 een spoorverbinding lag, liet Goossens de instrumenten per trein aanleveren uit Brussel en werden ze door enkele fanfareleden met de huifkar in Deurne op het station opgehaald. Nu kon men aan de slag. Die eerste instrumentenaankopen waren toch wel duur geweest en men besefte wel degelijk dat een fanfare een kostbare zaak zou blijven. Om aan het nodige geld te komen besloot het bestuur dat het mogelijk moest zijn om mensen die dat wilden in de gelegenheid te stellen om tegen de betaling van Fl. 1,50 per jaar erelid of honorair lid te worden. De oprichting van de fanfare had bij veel mensen de nodige sympathie gewekt en de eerste tien honoraire leden meldden zich aan. Ook is het niet ondenkbaar dat enkele honoraire leden ook meebliezen. Enkele honoraire leden gaven zelfs meer dan Fl. 1,50 per jaar en brachten zo een leuke cent in het laatje. Het eerste honoraire ledenboek van Musis Sacrum is bewaard gebleven. Die eerste tien honoraire leden waren: Joost Jansen, Joh. van Kessel, Joost Biemans, Willem Spoormakers, Joost Kanters, W. van de Boome, Leonardus Reinders, Thomas Werts, Jozef Muffels en Lauwerens van Hoof. De uitdrukking erelid heeft tegenwoordig een heel andere betekenis. Men wordt pas tot erelid benoemd na een grote verdienste voor de vereniging. Omdat in de omgeving van Bakel in de loop van 1874 nog 3 fanfares werden opgericht, die alle drie Goossens als dirigent hadden, werd het nog steeds bestaande Bakelse instrumententekort op creatieve wijze opgelost. Die drie fanfares, Deurne, Someren en Aarle-Rixtel, hadden alle drie duidelijk minder moeite met de aanschaf van hun instrumenten, dus Goossens leende bij hen het in Bakel ontbrekende instrumentarium en bracht het mee naar de repetitie. Dat in Bakel zang en instrumentale muziek samen werden uitgeoefend, blijkt uit veel berichten uit die tijd, waarin men spreekt van “leeden onzer zangvereniging die ook instrumenten hanteren”. Later ging de fanfare meer op eigen benen staan. De muzikale basiskennis was bij de leden van de liedertafel al een stuk aanwezig en Goossens maakte met zijn prille fanfare snelle vorderingen. Men repeteerde driftig op de zondagmiddag en soms ook nog door de week. Tussen 5 juli en 30 december 1874 waren er volgens het kasboek 31 repetities. Op 20 december 1874 had men nog Fl. 26,50 in kas, geen slecht begin!

DE EERSTE 25 JAAR

1875
Toen men de techniek van het blazen en noten lezen onder de knie begon te krijgen, werd het tijd om meer complete werken in te studeren. Op 24 januari 1875 kocht men voor Fl. 13,35 de eerste partituren en de eerste werken werden ingestudeerd. Na een winter van repeteren was het resultaat om aan te horen en wilde men wel eens weten wat anderen ervan vonden. Daarom schreef men in voor het eerste festival. Op 30 juli 1875 bestond fanfare ‘Phileutonia’ in Helmond 25 jaar en organiseerde een “groots festival”. Dit festival vond plaats op het schuttersplein, vlakbij het station. Er deden 20 gezelschappen mee, waaronder Bakel en De Goede Hoop uit Aarle-Rixtel. Elk gezelschap speelde 2 nummers! De uitslag is helaas onbekend, maar we hielden er wel een prachtige medaille aan over die nog steeds in ons bezit is. De ontwikkelingen bij de fanfare gingen de goede kant op en ook het aantal honoraire leden groeide van 11 in 1874 naar 34 in 1875. Een zeer welkome bron van inkomsten. En dan eindelijk, zoals een goede fanfare dient te hebben, maakt het kasboek van 16 mei 1875 voor de eerste maal melding van een uitgave van twee gulden voor……Bier! Van de lening van Fl. 300,- werd alleen de rente betaald. Aflossen deed men later wel.

1876
In 1876 was de financiële situatie zo verbeterd dat men op 25 juni Fl. 50,- afloste en Fl. 12,- rente voor één jaar betaalde, waardoor de schuld daalde tot Fl. 250,-. De secretaris en tevens penningmeester was Joost van Ansem. De verdere aflossing van die schuld ging een hele tijd duren. Men loste vaak alleen de rente af en zelfs nog niet eens het complete bedrag van dat jaar.

1877
Het prille fanfare-orkest met haar deels geleend instrumentarium begon een steeds bekender gezicht in Bakel te worden. Steeds meer activiteiten werden door de fanfare muzikaal ondersteund. Het draagvlak onder de bevolking groeide ook. In 1877 had men maar liefst 33 honoraire leden, die ieder Fl. 1,50 per jaar betaalden, op een enkeling na die voor Fl. 1,13 of Fl. 0,63 stond genoteerd. Die mensen betaalden naar draagkracht.

1878
Of het aan de muzikale prestatie lag of aan geldgebrek bij de honoraire leden weten we niet, maar in 1878 staan er opeens 10 honoraire leden minder in het kasboek. Goossens was een erg bekwaam dirigent, die zelf ook diverse composities schreef, die zijn vele fanfares dan weer uitvoerden.

1879
De muzikale prestaties van het kleine fanfare-orkest groeide en de financiën lieten in 1879 toe dat er een cornet werd gekocht, natuurlijk bij Goossens. Kosten: Fl. 35,-. Goossens was dus in de loop der jaren op veel plaatsen dirigent geworden en stond in 1879 voor fanfare ‘Phileutonia’ uit Helmond. In de winter van dat jaar verzorgde ‘Phileutonia’ en Musis Sacrum samen een concert in Helmond, waarover zelfs jaren later bij een andere gelegenheid de krant ‘De Zuidwillemsvaart’ nog schreef: “Wij herinneren ons nog de goede uitvoering die zij met ‘Phileutonia’ in den winter van 1879 gaven, waar zoo veel lof wier toegezwaaid”. Tot onze verbazing troffen we in de archieven van Phileutonia in Helmond een puntgaaf programma aan van dit concert.

1880
In 1880 was de financiële positie nog steeds slecht en het instrumentarium nog steeds niet compleet. Burgemeester van Neerven deed een poging om daar enige verandering in te brengen. Hij schreef een brief aan koning Willem III en begon met het eerbiedige: Sire. We hebben de met sierlijke letters geschreven brief met hedendaagse middelen weer leesbaar gemaakt en afgebeeld, evenals het antwoord van de koning. Om kort te gaan: burgemeester van Neerven probeerde de oranjegezindheid van de inwoners van onze gemeente om te zetten in klinkende munt in de vorm van financiële ondersteuning van de koning, waardoor de ontbrekende instrumenten zouden kunnen worden aangekocht. Men was bereid de naam van het korps te wijzigen in Emma, “naar de echtgenote van de koning”. Het antwoord was kort. Hoe oranjegezind men hier ook was, de koning kon omwille van meer bedelende muziekgezelschappen niet aan financiële ondersteuningen beginnen en het voeren van de naam Emma vond hij ook niet goed, dus bleef het gewoon ‘Musis Sacrum’! Rond 1880 verhuisde Joannis Goossens van Deurne naar Helmond en opende daar een muziekzaak, het zogenaamde ‘Piano en Harmonium Magazijn’. De krant van toen stond vol van zijn advertenties. Ook was Goossens eigenaar van zaal ‘De Nieuwe Beurs’ op de markt, waar talrijke concerten plaatsvonden, ’s zomers zelfs in de tuin. Musis Sacrum heeft daar meerdere optredens verzorgd!

1881
Op 25 augustus 1880, kocht Musis Sacrum bij Goossens een flinke hoeveelheid muziek en “11 MARSCHE boekjes” waaruit een ledental van 11 valt af te leiden. In Helmond begon Goossens snel bekendheid te genieten. Hij was immers ook dirigent van ‘Phileutonia’. En een dirigent met een eigen concertzaal was een ongekende luxe. Hij organiseerde diverse concerten en natuurlijk ook met Bakel. Op 22 juni 1881 vierde pastoor Smits zijn 25-jarig jubelfeest, dus hij was in Bakel 25 jaar pastoor. Het hele dorp was versierd met 10 erebogen van “buitengewoone grootte en constructie versierd met verzen, opschriften, vlaggen waaiden van torens, huizen en huisjes! De wegen waren rijk omzoomd met groen en bloemen en alles was met guirlandes verbonden”. Als er zoiets te vieren viel werd er dus echt versierd, het hele dorp! Na de gebruikelijke hoogmis met 3 heren, was er een soort receptie waar geschenken werden aangeboden aan de jubilaris. Daarna plaatste het gezelschap zich in rijtuigen en in optocht trok men heen en weer door de versierde Bakelse hoofdstraat, “terwijl onze harmonie en liedertafel al wandelend de keurigste stukken uitvoerden”. Eén van de leden van de liedertafel was een getalenteerd man en maakte op zowel zang als instrumentaal gebied een betere indruk dan de rest. Zijn naam was Peerke Spoormakers in Bakel, beter bekend als ‘Peerke Spoor’. Wie naar de evolutie van de muziekgezelschappen, waar Goossens dirigent was kijkt, zal ontdekken dat hij overal na enkele jaren wordt opgevolgd door een andere dirigent. Goossens had het ook erg druk met zijn nieuwe zaken en besloot in de loop van 1881 zijn dirigeerstok bij Musis Sacrum over te dragen aan een waardig opvolger: Peerke Spoormakers.

1882
Het “vermaak van toen” is eerder al genoemd, waarbij er een gezelschap ontbrak. Dat gezelschap was de ‘Knolschut’, een kruisboogvereniging met de entourage van een gilde of “schut”. Er waren tamboers en vendeliers, er werd geschoten en….. gedronken! Om lid van een normaal gilde te worden, moest men geld bezitten en lid zijn van de boerenstand. De rijkdom van de gilden was goed zichtbaar door het vele zilver wat men droeg. Het antwoord van de arbeidersklasse was ‘De Knolschut’. Men schoot op knollen boven op een schietboom. Het wapen was een kruisboog. Trok men over straat, dan bestond de versiering niet uit zilveren schilden, maar uit plakken knol, die men op de jas hing. Voorop reed er geen standaardrijder te paard, maar een knolschutter op een rijk versierde ezel. Bakel bezat zo’n knolschut net als Gemert. Op 24 september 1882 vond er tussen die twee een uitwisseling plaats in Bakel. Men haalde onder de klanken van de fanfare het gastgezelschap af op de weg naar Gemert, trok naar café Van de Poel en dronk wat en trok naar het versierde plein voor de schietwedstrijd. Na afloop werden de schutters weer afgehaald door de fanfare, “die met hare lieflijke tonen, het streelendst geluid door Bakels straten deed weergalmen.” Na afloop werd er door de Gemertse Knolschut (die er erg fraai uitzag) nog gevendeld en keerde men huiswaarts. De wisseling van dirigent was goed verlopen en het kleine fanfare-orkest deed vaak van zich horen. Omdat Milheeze nog geen fanfare bezat, was het gebruikelijk dat bij bijzondere gelegenheden de Bakelse fanfare een serenade kwam brengen. Zo bijvoorbeeld ook bij het gouden bruidspaar van Dinther-Martens op 14 mei 1882 in Milheeze. In krantenberichten van toen lezen we dat diverse fanfares uit de buurt, waaronder bijvoorbeeld Aarle-Rixtel en Someren in Helmond op de jaarlijkse kermis speelden! De Bakelse fanfare was door haar kleine bezetting waarschijnlijk te klein.

1883
In 1883 kocht men nog eens voor Fl. 3,10 aan muziek in Maastricht.

1884
Op 10 maart 1884 werd pastoor Smits 74 jaar en de fanfare bracht hem een serenade “waarbij de stukken hiertoe uitgekozen flink werden uitgevoerd”. De president sprak de hoop uit dat de eerwaardige heer pastoor volgend jaar zijn gouden priesterfeest in goede gezondheid mocht vieren. 1884 was voor de fanfare een feestjaar. Men bestond 10 jaar. Of er speciale feesten zijn geweest is niet bekend. Wel bekend is dat de eerste drapeau of vaandel toen werd aangeschaft. Een opmerkelijk detail is de houten leeuw, die boven op de vlaggenstok staat en die ruim een eeuw dienst zou doen. De eerste medailles uit die tijd werden aan het houten voetje onder de leeuw bevestigd. Een drapeau was erg belangrijk. Het gaf veel informatie, of het bijvoorbeeld een fanfare of een harmonie betrof, uit welke plaats, hoe oud men was, enzovoorts. Toen het verschijnsel “Drumband” nog onbekend was, liep men met de drapeau voorop, zodat de informatie op de drapeau goed leesbaar was. Meestal waren ze rijk versierd. Van 1884 tot heden, 1999, had Musis Sacrum in totaal slechts 3 drapeaus. Op zondag 27 juli 1884 was het weer slecht. Toch was de tuin van de erven P. van de Poel goed bezet. De fanfare gaf een concert. De krant van toen vermeldt dat “de stukken die werden uitgevoerd, herhaaldelijk de algemeene goedkeuring mochten wegdragen. We kunnen constateeren dat de fanfare in aanmerking nemende van haar ledental dat zwak is, hare stukken flink heeft uitgevoerd”. Men hoopte gedurende de zomer nog meermalen iets van de fanfare te mogen horen. Ondertekend: “Een liefhebber van het aanhoren der muziek”. U ziet het aantal leden was weliswaar klein, maar de muzikale prestaties waren voor die tijd best om aan te horen. Na talloze subsidieverzoeken werd dan eindelijk op 18 september 1884 in Milheeze de eerste steen gelegd voor een nieuwe school door de burgemeester. Ook de beide wethouders legden een steen en de burgemeester hield een toespraak. Na afloop van de steenlegging droegen “De Heeren van Bakels liedertafel niet weinig bij tot de feestelijke en vroolijke stemming, immers dat gezelschap bedreven zowel in zang als in instrumentale muziek, gaf eenige zijn besten stukken ten beste speciale dank aan de 4 gebroeders Jaspers, de kern van het gezelschap”, waarvan we de naam Chris, Hannes, Karel en Peter wisten te achterhalen. Dit optreden van Musis Sacrum met zowel zang als muziek, liet in Milheeze een diepe indruk achter. Enkele weken later werd er in Milheeze een eigen liedertafel opgericht onder leiding van de dirigent van Musis Sacrum, Peer Spoormakers. Deze liedertafel zou later uitgroeien tot de huidige fanfare ‘St. Cecilia’ uit Milheeze. De honoraire leden Omdat we over de eerste tien jaar veel informatie hebben over de “Honoraire” of “Eere leden”, is het de moeite waard er iets meer over te vertellen. Zoals al verteld, kon men het honorair of erelidmaatschap kopen tegen Fl. 1,50 per jaar. Omdat het lidmaatschap telkens voor een jaar werd aangegaan wisselde het aantal ereleden die eerste tien jaar sterk, soms van 34 leden naar 3! Dus, de inkomsten die daaruit voortvloeiden, vormden niet echt een zekere basis voor de kas. Men zocht voor het erelidmaatschap duidelijk naar mensen met iets meer geld dan de gewone man. Het honoraire ledenboek vermeldt in de periode 1874 – 1884 onder andere de Bakelse kasteleins van de Poel, Vermulst, van Tiel en Goossens, de Milheezer kastelein Spooren, burgemeester van Neerven en de smeden Janssen en Royackers. Ook namen van betekenis komen voor. Bijvoorbeeld notaris Hockers uit Someren, notaris Aug. Sassen uit Helmond en kastelein G. Kuypers uit Helmond, die natuurlijk tijdens het concert met ‘Phileutonia’ in 1879, dat bij hem plaatsvond, erelid werd gemaakt voor Fl. 1,50! Zelfs de bewoner van Het Kasteel uit Helmond, Carel Wesselmann, staat in ons honoraire ledenboek! De eerste kranten Zoals al eerder vermeld, verschenen er omstreeks 1880 in onze streek de eerste kranten. Eigenlijk best laat, want in de streek rond Eindhoven kende men al bijna 30 jaar een krant: ‘De Meijerijbode’. Maar ja, toen was Eindhoven ver weg! Die oude kranten zijn in het gemeentelijk archief van Helmond prachtig bewaard gebleven en om verdere beschadiging van het inmiddels tere papier te voorkomen, zijn al die kranten op microfiches gezet! Microfiches zijn een soort dia’s, die je in een apparaat kunt leggen en waarbij op een beeldscherm de tekst verschijnt. ‘De Zuidwillemsvaart’ was één van die kranten van toen en dus de voorganger van onze huidige krant. Het arsenaal oude kranten groeit enorm in ruim 100 jaar en in Helmond staat dan ook een kast vol met kleine laatjes vol krantefiches! Al zoekend in die ladekast, deden we een ontdekking die ons nog lang zou heugen. Eén van die laatjes bleek nog een andere krant te bevatten, namelijk: ‘Het Nieuws van de week’ of ‘Helmondsche Courant’, die bleek nog iets ouder te zijn dan ‘De Zuidwillemsvaart’ of ‘Nieuwe Helmondsche Courant’ en verscheen van 1880 tot 1909. ‘Het Nieuws van de week’ bevatte een schat aan informatie die we in ‘De Zuidwillemsvaart’ niet konden vinden. Even ter verduidelijking: in ‘Het Nieuws van de week’ stonden gebeurtenissen van onze fanfare uit 1879, terwijl ‘De Zuidwillemsvaart’ ruim 7 jaar later pas de eerste keer melding maakt van Musis Sacrum! Het aantal berichten over een dorp of stad was sterk afhankelijk van het aantal abonnees! Soms verschenen er maar één of twee berichten per jaar over Bakel. Toen ook nog een klein dorp.

1885
Op 3 augustus 1885, vierde fanfare ‘Phileutonia’ uit Helmond haar 35-jarige bestaan met een festival. Er deden maar liefst 23 gezelschappen mee. Uit de handgeschreven notulen van ‘Phileutonia’ blijkt dat Musis Sacrum ook deelnam. Van de uitslag is er niets bekend. Twee weken later moest men weer naar Helmond. Dit keer voor een concert met Helmonds tweede muziekkorps, de fanfare van ‘De Koninklijke Nederlandsche Machinefabriek’, die in datzelfde jaar was opgericht en onder leiding stond van Joannis Goossens, de oud-dirigent van Musis Sacrum. In 1885 werden de inwoners van Milheeze aangenaam verrast op St. Nicolaasdag, want de Bakelse fanfare Musis Sacrum trok het dorp binnen en begaf zich naar de Herberg van A. Spooren, bekend als Honorair lid van de fanfare. Hier maakte men voor de eerst keer melding van een vaandel, want aan het hoofd liep “Hare Prachtige Banier”. Men werd onthaald op een lekker glas gerstewater en de “noodige sigaren”. Tijdens dit rokerige samenzijn gaf de fanfare “verscheidene ferme muziekstukken ten beste”. Dan staat er iets in de krant wat later overal een vast gebruik zou worden: “enkele werkende leden droegen menig grappig stukje voor, zeer tot genoegen van de talrijke aanwezigen”.

1886
Op 21 februari 1886 gaf de fanfare onder leiding van Peer Spoormakers een concert bij Johannes Vermulst. Café Vermulst was vroeger gevestigd op de plaats waar als laatste Bert en Nella van den Heuvel hun café hadden. Bijna op de huidige hoek Dorpsstraat – Hendrikstraat. Twee dunne boompjes geven de plaats nog aan waar het café vroeger stond. De krant schrijft “de zaal was eivol en alle stukken werden flink uitgevoerd”; een term die men erg vaak gebruikte! “Onder de pauze werden er menige voordrachten ten gehore gebracht, door eenige heren uit Helmond die ons met een bezoek kwamen vereren. Tot laat in de avond bleven allen bij elkaar en onder het zingen van menig koddig stukje en het drinken van een goed glas bier”. Dat het optreden op St. Nicolaasdag in 1885 in Milheeze wel in de smaak was gevallen is wel duidelijk en een herhaling was dan ook zeer gewenst. De krant schrijft dan zelfs al dat de fanfare uit Bakel “hare jaarlijkse uitvoering” gaf. Kastelein Spooren wist van de komst van de fanfare en had de zaal smaakvol versierd. Het peil van de fanfare was weer iets gestegen, want nu voerden ze de gekozen stukken uitmuntend uit. Spoormakers verraste de bevolking van Milheeze door een optreden van de onlangs opgerichte “zangvereeniging” ‘Cecilia’, die haar nummers netjes uitvoerde. U ziet, de redacteur gebruikt duidelijk termen als “flink uitgevoerd”, “uitmuntend uitgevoerd” en “netjes uitgevoerd”, om een nuanceverschil aan te geven en niemand te krenken. Nu de Bakelse fanfare zo’n 12 jaar oud was en het voorheen beoefende zingen van de liedertafel meer begon te ruilen voor blaasmuziek, is het waarschijnlijk dat dirigent Spoormakers zijn zangkwaliteiten niet verloren wilde laten gaan en de zang weer nieuw leven in wilde blazen, dit keer in Milheeze. En met goed resultaat. Op 9 augustus 1886 overleed in Bakel hoofdonderwijzer J. van der Zande. Hij stond voor de gemeenteschool sinds 1852 en was een kundig onderwijzer. Ook was hij al vroeg (namelijk vanaf 22 mei 1875) honorair lid van de fanfare. Zolang men nog geen opvolger had zou een onderwijzer, de heer Meulendijks, het hoofdonderwijzerschap waarnemen. Op 4 december 1886 werd de heer Antoon Ceele uit Bladel tot hoofdonderwijzer benoemd. Hij woonde in de bovenmeesterwoning langs de kerk, beter bekend als het latere huis van de koster. Meester Ceele was een erg muzikale man en werd al snel, net als zijn collega Meulendijks, lid van de fanfare en blies de bariton. Vroeger was hij ongetwijfeld lid geweest van harmonie ‘L’Union’ in Bladel, één van de vroegste blaasorkesten uit Brabant, opgericht in 1843. Omdat hij een geoefend muzikant was, oogstte hij veel respect. Toen hij eenmaal was ingewerkt aan de school las men op 27 oktober 1887 in de krant dat er een feest was bij Musis Sacrum, want ons zeer geacht lid de hulponderwijzer Meulendijks nam afscheid! De fanfare blies een serenade en hoofdonderwijzer Antoon Ceele hield een korte maar “beteekeningswaardige” toespraak. Dat het instrumentarium van al het repeteren en het geven van uitvoeringen veel te lijden had, blijkt uit de reparatienota’s van toen. Die reparaties werden uitgevoerd bij A. Emans in Helmond, die er een machinefabriek en metaalwerkplaats had. Hij was ook een belangrijk persoon bij Phileutonia, waarvoor hij in zijn werkplaats instrumenten repareerde en zoiets sprak zich natuurlijk rond, zodat Bakel voor haar defecte instrumenten een reparateur had gevonden! Dat de reparatienota uit 1886 pas in 1888 werd betaald, geeft maar weer eens aan hoe slecht de financiële situatie was.

1887
De lening uit 1874 van Fl. 300,- was in 1887 voor de helft afgelost, dus erg snel ging het niet. Toch was het muzikale peil voor die tijd niet slecht te noemen. Men oogstte zelfs veel bewondering door met zo’n klein orkest gewaagde stukken op een goede manier uit te voeren! Op donderdag 9 juni 1887 gaf Musis Sacrum een concert in Helmond, bij de gebroeders Spooren in zaal ‘DIANA’: Het was er druk en men schreef erover: “De uitgevoerde nummers werden herhaaldelijk met de levendigste bijvalsbetuigingen begroet en waarlijk, zij verdienen het! Niemand zou vermoeden dat in het naburige Bakel een muziekgezelschap bestaat dat met zulk succes, ook buiten hare gemeente kon optreden. Met genoegen hebben wij de uitvoering hare stukken gevolgd en daaruit besloten dat dit muziekgezelschap eene waardige plaats onder hare vele zusterverenigingen inneemt”. Op dezelfde tijd gaf ‘Phileutonia’ een concert in ‘tuin Vredelust’ in Helmond, maar het was “niet zoo druk bezet als gewoonlijk”. En zo ontdekte Helmond Musis Sacrum! In Bakel was nog een gezelschap actief met zang en muziek, waarschijnlijk ook weer leden van de vroegere zangvereniging of liedertafel, die het verruilen van de “zang voor blaasmuziek” als een achteruitgang van de zangkunst beschouwden en zelf een muziekgezelschap oprichtten, volgens het model van de pas opgerichte fanfare! Dus, zang met muzikale begeleiding. Men noemde het gezelschap ‘De Harpe van DAVID’ en was gevestigd bij café Johannes Vermulst. In februari 1887 gaf men een uitvoering, waarbij een groot aantal toehoorders was opgekomen om te luisteren naar de uit te voeren “muziek- en zangstukken”. De directeur was Johannes Jaspers (één van de gebroeders, die in 1884 bij de eerste steenlegging van de school in Milheeze nog werd genoemd als de kern van de Bakelse fanfare). Ook in 1887 waren er weer reparatienota’s van de fanfare bij Emans in Helmond, waarbij het leuke taalgebruik van toen direct opvalt:

1888
Op 10 januari 1888, had men teerdag bij café van de Poel. De rekening is nog bewaard gebleven. De kaartjes staan voor consumptiebonnen. De tromdrager staat apart vermeld, die moest natuurlijk eerst zijn trom wegzetten en kwam later binnen. 23 man gegeten en gedronken voor Fl. 12,50! Op 21 januari 1888 werd in Milheeze bij café Spooren weer het jaarlijkse concert verzorgd “in de grootste opgeruimdheid en tevredenheid is dit concert afgelopen!”. 1888 was het jaar waarin Janus van de Poel lid werd van de fanfare. Een lidmaatschap dat ruim 60 jaar zou duren! De financiële situatie was verre van rooskleurig en voor de tweede maal schrijft burgemeester van Neerven een brief aan koning Willem III, met daarin weer hetzelfde verhaal als 8 jaar eerder. Wel vermeldt hij dat de muziek die in 1874 door de zangvereniging werd gezongen tijdens de optocht ter ere van het zilveren regeringsjubileum van koning Willem III door de burgemeester of gemeente zelf was uitgezocht en aangekocht! Als blijk van gemeentelijke waardering voor de prestaties van de fanfare en of de koning zo goed wilde zijn om wat geld over te maken om muziek of instrumenten aan te schaffen. Het antwoord bleef waarschijnlijk uit, want in een volgende brief die gericht werd aan de adjudant, particulier secretaris des konings te ‘s-Gravenhage, vraagt de burgemeester om bij voorkomende gelegenheden het onderwerp nog eens met de koning aan te kaarten en dan “mondelings nader ten onzen gunsten te kunnen spreken”. Verder hebben we geen correspondentie met het koninklijk huis uit die tijd, maar het antwoord zal wel duidelijk zijn…..Nee! Rond die tijd stond de hele industrie, het transport enz. in het teken van de stoommachine. Het was iets nieuws en ook in onze streek kwam dat een stuk tot ontwikkeling. Van Helmond naar Den Bosch liep een stoomtram. Vanuit Helmond kon men op reis met de stoomtrein en op de ‘Zuidwillemsvaart’ kon men met de stoomboot naar Den Bosch; een lange, maar comfortabele reis. Met de stoomtram die via Aarle-Rixtel, Beek en Donk, Gemert, Erp en Veghel naar Den Bosch reed, gebeurde de vreselijkste ongelukken. Dit onder andere met mensen die op de rijdende tram wilden springen en er dan onder terechtkwamen. De stoomtram had in die tijd ook de bijnaam ‘de goede moordenaar’. Ook exploderende stoommachines of machines die tijdens reparatiewerkzaamheden plotseling aanliepen, waarbij de monteur ernstig gewond raakte, kwamen in die tijd vaak voor. Het koffiehuis, de nieuwe beurs waar onze eerste dirigent Goossens kastelein was, werd rond 1890 overgenomen door de familie Pellemans. Die familie bezat ook een stoomdrukkerij, waar de krant ‘Het Nieuws van de week’ werd gedrukt.

1889
In St. Oedenrode bestond op 14 juli 1889 de plaatselijke fanfare ‘Nos Jungit Apollo’ 25 jaar. Dit werd gevierd met een groot muziekfeest van 3 dagen. Het was een feest zoals toen gebruikelijk was, met aanbieding van de “eerewijn, een matinee musicale, een plechtige optocht en het spelen van een gezamenlijke marsch”. Tussen de optredens van de muziekgezelschappen waren er opstijging van luchtfiguren en ’s avonds werd het feestterrein verlicht “a giorno” en er was bengaals vuur ofwel vuurwerk. Na afloop werden er onder de deelnemende gezelschappen diverse instrumenten verloot met als hoofdprijs een fraaie cornet à piston. Musis Sacrum nam ook deel en won “een fluit met etui. Voor of na den optocht wordt elk gezelschap gephotographeerd. Deze photographiën zullen als blijvende herinnering worden opgehangen in het repetitielokaal van ‘Nos Jungit Apollo’”. Helaas zijn de foto’s niet meer te vinden, maar de fanfare uit Rooi stuurde ons toch enkele foto’s om een sfeerbeeld te vormen van het muziekfeest van toen. De Kermis in Helmond was elk jaar weer een feest en er zat op veel plaatsen muziek van allerlei pluimage. Er speelden salonorkesten, blaasorkesten, enzovoorts en die werden dan ook met grote advertenties in de plaatselijke kranten aangekondigd om zoveel mogelijk publiek te trekken. Helmond kende ook nog kleine plaatselijke kermissen in de stad, bijvoorbeeld de Steenwegse kermis, de Heuvelse kermis en de Binderseindse kermis, waar bij gelegenheid altijd wel één of ander orkest optrad. Speelden rond 1880 de even oude zusterverenigingen Aarle-Rixtel en Someren al op de Helmondse kermis, in 1889 was Bakel aan de beurt en wel samen met de ‘Fanfare der Koninklijke Machinefabriek’ ofwel de ‘Begemannfanfare’, die later het ‘Helmonds Muziek Corps’ zou heten. Men gaf een “groots volksconcert” in de ruime tuin Vredelust, die nog te klein bleek voor het grote aantal toehoorders. De krant schrijft dat men de ‘Begemannfanfare’ nog kende van vroeger, maar dat het beter was “onzen lof te wijden aan Bakelse fanfare”. Zo toonden de muzikanten Spoormakers zich “met de grootste ambitie aan de studie der muziek te wijden door de nummers exact uit te voeren. Na elk gemaakt stuk werden ze toegejuicht. Temeer omdat men de moed had met zo’n kleine fanfare zulke moeilijke nummers te brengen!” Het kleine ledental dwong vaak duidelijk respect af bij het publiek. En de pers schreef net zo vaak dat Bakel trots kon zijn zo’n korps te bezitten en dat men er prijs op stelde ze nog vaak in hun midden te hebben. Men had dus duidelijk succes.

1890
Op 5 februari 1890 werd de overleden president of voorzitter van de fanfare G. Jacobs begraven. Hij was ook lid van het St. Willibrordusgilde en werd met fanfare en gilde-eer begraven. Hij was op 24 januari 1875 begonnen als Honorair lid, speelde waarschijnlijk een instrument en in 1878 betaalde hij als secretaris / penningmeester de jaarlijkse rente aan notaris van Riet in Deurne. “Men verliest bij de Harmonie een zorgvollen en ijverigen President”. Hij werd opgevolgd door president van de Aa. Op 30 oktober 1890 gaf de Bakelse fanfare een concert in de Mortel in de herberg van de kinderen Janssen, althans dat was de bedoeling. Maar het gezelschap met de veelzeggende naam ‘Mortels Onafhankelijkheid’ zag wel aankomen dat het erg druk zou worden en vroeg aan de burgemeester toestemming om het schoollokaal te mogen gebruiken. Het mocht en het was er dan ook druk met mensen uit Gemert en omliggende plaatsen en natuurlijk de Burgerij van de Mortel. De fanfare werd welkom geheten en de president, van de Aa, hield een schitterende toespraak. Het concert verliep goed en in de pauze werden er natuurlijk weer komische voordrachten gehouden, zoals toen mode begon te worden. Vermeldenswaardig is dat, ofschoon het concert in een schoollokaal gegeven werd, het niet op een droogje afliep.

1891
Ergens in de zomer van 1891 ontving Musis Sacrum een uitnodiging om deel te nemen aan het muziekfeest op kermiszondag, 20 september, in Venlo. Dit muziekfeest werd georganiseerd door ‘Het Philharmonisch gezelschap’, in die tijd een erg bekend orkest. Men besloot deel te nemen, net als enkele andere korpsen uit de buurt, onder andere ‘Phileutonia’ uit Helmond. Diezelfde zomer had harmonie ‘Apollo’s Lust’ uit Eindhoven ook een muziekfeest, maar daar kon niet zomaar iedereen aan deelnemen. Men had namelijk een indeling gemaakt die voorschreef dat men bij een bepaald inwonersaantal van het dorp ook een bepaald aantal werkende leden diende te hebben. Op die manier sloot men de talrijke kleine dorpsfanfares op een sluwe manier uit van deelname, zodat men alleen gezelschappen uit grotere plaatsen aantrok, die voor het betalende publiek veel interessanter waren.

1892
Ergens in 1892 werd Peerke Spoormakers als dirigent opgevolgd door Martinus Adrianus van de Poel, ofwel Janus van de Poel. Hij was een man met grote muzikale kwaliteiten en was 4 jaar lid van Musis Sacrum, voordat hij dirigent werd. In die 4 jaar waren die muzikale kwaliteiten ongetwijfeld opgevallen en dat was ongetwijfeld de reden waarom hij dirigent werd. Hij was een erg veelzijdig man, waarop heel de gemeenschap een beroep kon doen. Beter gezegd, was hij een steunpilaar voor het culturele leven van Bakel. Zo was hij organist en directeur van het zangkoor van de kerk, koster, directeur van de fanfare, waar hij tevens de opleiding van leerlingen verzorgde (waarover later meer). Hij was letterlijk en figuurlijk een groot figuur, eenvoudig van aard en wars van alle opsmuk en eer. Een directeur die zijn korps in de hand had en op rustige wijze zijn muzikanten opleidde voor menig succesvol concours, waaraan men deelnam. Onder oude leden van de fanfare ging vroeger het verhaal dat Spoormakers en Janus van de Poel een conflict hadden dat ontaarde in het vertrek van Spoormakers, die ook nog een aantal muzikanten meenam en zo ontstonden er twee fanfares in Bakel, allebei te klein om te overleven, zodat de ruzie weer snel werd bijgelegd. Op 4 december 1892 gaf de fanfare voor de eerste maal een concert onder leiding van Janus van de Poel bij herberg Johannes Vermulst.

1893
In 1893 hield men teerdag bij de erven Van de Poel. Men verteerde maar liefst voor Fl. 12,15 met 25 personen. In 1893 werd in Bakel de standaardmolen verplaatst naar een hoger gelegen plek, waar hij nu nog staat. De kranten van toen bevatten berichten die omstreeks kermistijd per plaats verschenen en die mededeelden dat tijdens die kermis geen liedjeszangers, orgeldraaiers, vreemde kramers en mallemolens zijn toegestaan. De burgemeesters die deze berichten lieten plaatsen zouden vandaag eens op de kermis moeten kunnen kijken. De beginjaren van Janus van de Poel als dirigent bleven dus verstoken van krantenberichten. De kranten verschenen inmiddels zo’n jaar of veertien in onze regio. Een klein dorp als Bakel had zelf meestal geen correspondent en geen correspondent betekende dus geen Bakels nieuws in de krant. Dat betekende meestal dus ook geen lezers van die krant, want er stond toch niks van Bakel in. Geen lezers betekende ook weer dat er in Bakel geen correspondent nodig was en zo was de cirkel rond en bleef Bakel verstoken van het eigen nieuws.

1895
In het begin van 1895 ontving de secretaris van Musis Sacrum een schrijven van Mathijs Kessels uit Tilburg. Hij riep de fanfare op om haar medewerking te verlenen aan het bezoek van de beide vorstinnen, Emma en Wilhelmina, aan Tilburg. Het bestuur besliste positief en op 18 mei 1895 toog Musis Sacrum naar Tilburg voor het brengen van ‘De Grote Muzikale Hulde’. Die naam was echter nog een flink punt van discussie geweest, want de organisatie schreef elke fanfare of harmonie een brief die meldde dat ‘De Grote Muzikale Hulde’ gewijzigd diende te worden in “Bijwooning der Huldebetooging door Noord Brabantse Liefhebberij – Harmonieën en fanfaregezelschappen op het plein De Veldhoven”. Dit was de officiële benaming en van de organisatie mocht niets anders worden gebruikt. In totaal deden er 60 fanfares en harmonieën mee uit Noord-Brabant en de namen van de deelnemers verschenen op een lange lijst in de nieuwe ‘Tilburgse Courant’. Die krant was in eerdere artikelen over het vorstinnenbezoek erg huiverig geweest voor wat betreft de muziekuitvoering. Het was natuurlijk ook een flink karwei om 60 korpsen tegelijk te dirigeren. Maar dit bleek voor Mathijs Kessels een peulenschil. Toen alle fanfares en harmonieën waren gearriveerd op ‘De Veldhoven’ vond er een korte repetitie plaats. Men voerde twee nummers uit. Het bekende ‘Wien Neerlands Bloed’ en de ‘Triomphmarsch’ die Kessels zelf had geschreven. De krant had al geschreven dat één repetitie wel erg weinig was voor zo’n immens orkest. Tot overmaat van ramp begon het tijdens die repetitie ook nog flink te regenen, zodat het plein in een mum van tijd veranderde in een moeras met 2000 muzikanten. De vorstinnen waren in Tilburg in het kader van een rondreis door Brabant en Limburg. Ze arriveerden op het plein en namen plaats op een speciaal podium. De dirigent vroeg aandacht en men begon te spelen. Boven elke verwachting verliep de uitvoering behoorlijk gelijk en goed van stemming. De beide vorstinnen waren vol lof. Na de uitvoering liep elke fanfare of harmonie al spelend in defilé langs het podium. Het eindpunt was bij de repetitiezaal van de nieuwe harmonie. Daar ontving elke deelnemer een speciale herinneringsmedaille. De medaille van Musis Sacrum is helaas verloren gegaan, maar we wisten beslag te leggen op een afbeelding uit een gedenkboek dat aan de vorstinnen werd aangeboden, waarin elke deelnemende vereniging een aparte bladzijde had. Dat die vorstinnen op reis waren, had alles te maken met het verval dat de ons zo bekende koning Willem III aan het koningshuis had toegebracht. Hij snapte totaal niks van zijn tijd die toch grote veranderingen kende. Het was een onverschillige vorst die totaal geen oppositie verdroeg. Zijn eerste huwelijk schonk hem twee zonen, die net als zijn vrouw jong stierven. Zijn tweede huwelijk met de jonge prinses Emma was de redding van de Nederlandse monarchie! Ze kregen een dochter, Wilhelmina. Toen Willem III in 1890 overleed nam Emma zelf de touwtjes in handen en bleek een erg bekwaam regentes met goede kennis van zaken. Ze trok samen met de jonge Wilhelmina veel het land in om de bevolking te laten kennismaken met de toekomstige vorstin. In Milheeze werd op 10 december 1895 ook een fanfare opgericht, net als in Bakel, uit de leden van de liederentafel. Die liederentafel, ‘Cecilia’, was opgericht in 1884 en stond sindsdien onder leiding van Peer Spoormakers uit Bakel, die van 1881 tot 1892 dirigent was van Musis Sacrum. De geschiedenis herhaalde zich want ook fanfare ‘Cecilia’ uit Milheeze was in het begin een orkest dat de eigen liedertafel begeleidde en later steeds meer de zang verruilde voor blaasmuziek. Of Peer Spoormakers ook de eerste dirigent was van fanfare / liederentafel Cecilia uit Milheeze, is onbekend maar wel denkbaar! Er werd geld ingezameld onder de plaatselijke bevolking en in begin 1896 kocht fanfaregezelschap ‘St. Cecilia’ uit Milheeze bij Kessels in Tilburg haar eerste tien instrumenten. Die fanfare van Milheeze ontwikkelde zich snel. In de zomer van 1896 gaf men ter gelegenheid van de opening van de Willibrordusschool in Deurne al een concert op de markt, samen met de fanfare uit Deurne. En in de winter van 1896 gaf men op 18 november al een eerste winteruitvoering bij café Van de Laar in Milheeze. Op 27 april slaagde meester Marinus van de Poel voor zijn onderwijzersexamen. Hij was opgeleid door meester Antoon Ceele en was ook lid van de fanfare. Meester van de Poel was een bekwaam muzikant en blies met gemak op diverse instrumenten. Later zou hij hulponderwijzer worden in de Mortel en nog later hoofdonderwijzer in Bakel. Voor fanfare ‘Phileutonia’ uit Helmond was 1895 een rampjaar. Hun clubhuis ‘sociëteit de Harmonie’ brandde in februari tot de grond toe af, waarbij het complete instrumentarium en het vaandel in vlammen opgingen. Gelukkig was men goed verzekerd. Het “Casboek der Harmonie” van Bakel vermeldt in 1895 een bron van inkomsten van Fl. 20,- voor het “Helmonds Concert”. Waarschijnlijk betreft dit een optreden op de kermis van Helmond, want daar waren erg veel cafés en zalen die rond kermistijd in de krant adverteerden “elken avond concert”.

1896
In 1896 schrijft iemand die anoniem wil blijven een boze brief naar de krant. Hij durft zelfs geen plaatsnaam te noemen en schrijft dat hij woonachtig is te B….. Wie die brief leest weet meteen dat hij Bakel bedoelde. Hij klaagt in zijn brief over het feit dat in Bakel de kinderen vaak niet naar school mogen of kunnen vanwege het gebrek aan een hulponderwijzer. De kinderen zitten vaak met vier personen in de lesbank die eigenlijk maar voor twee kinderen is bestemd. De helft van de school staat leeg en blijft ongebruikt. De fanfare houdt er hare repetities! Als er toch geen ander gebruik van gemaakt wordt, kan deze hare uitvoeringen er ook wel geven en het lokaal inrichten als concertzaal. Hij beschrijft dat er ook nog nergens verharde weg ligt en dat de kinderen soms wel vier keer per dag door water, slik en slijk moeten plassen om naar en van school te gaan. “Bijzonder in de lente en herfst als het daar zo zeer nat en morsig is”. Uit dit bericht kunnen we opmaken dat de fanfare inmiddels repeteerde in een lokaal van de openbare school. Waarschijnlijk al een hele tijd en tot stand gekomen via het Bakelse hoofd der school, tevens fanfarelid, meester Antoon Ceele, die sinds 1886 in Bakel woonde.

1897
1897 was voor Musis Sacrum een druk jaar. Op 21 januari geeft men ten ‘Koffiehuize Johannes Vermulst’ een concert. Met de welwillende medewerking van liedertafel ‘Cecilia’. “Wegens de uitgebreidheid en de afwisseling van het programma en de ijver waarmee de verschillende uit te voeren nummers zijn ingestudeerd, wordt met grond een eivolle zaal verwacht”. Op 9 maart overleed, op 51-jarige leeftijd, Musis Sacrums eerste dirigent Joannis Goossens te Aarle-Rixtel. Hij werd met korpseer van fanfare ‘Phileutonia’ begraven. ‘Phileutonia’ was het enige korps waarvan hij toen nog directeur was. Hij was ernstig ziek geweest en zakelijk was hij ook flink achteruit gegaan. Zijn muziekzaak en de zaal ‘De Nieuwe Beurs’ waren al jaren geleden overgenomen. Hij had nog een tijdje in ‘Singer’ naaimachines gehandeld, maar dit werd ook al spoedig door iemand anders overgenomen. Begin 1897 werd bij café Muffels in Bakel een nieuwe handboogschutterij opgericht met de naam ‘Hollandia’. Op 19 april organiseerde men een wedstrijd, waarbij men een eerste schutterskoning kreeg en een week later werd ‘Den Doel’ bij Muffels plechtig geopend met medewerking van de “zoo gunstig bekende fanfare Musis Sacrum” en de “zoo zeer geliefkoosde liedertafel ‘Cingalia’”. Waarschijnlijk, omdat de naam Cecilia te veel werd toegepast, besloot men om de naam van Bakels liedertafel te veranderen in ‘Cingalia’, immers Bakels liedertafel, de fanfares van Milheeze, Asten, Lieshout en Gemert, droegen allemaal de naam ‘Cecilia’. Erg verwarrend dus. De eerste zondag in mei werden de inwoners van Bakel al vroeg op een prettige wijze gewekt. Fanfaregezelschap Cecilia uit Milheeze bracht ons een “vroege ochtendgroet”. Op zondag 27 juni bracht Musis Sacrum een bezoek aan zustervereniging fanfare ‘De Goede Hoop’ uit Aarle-Rixtel. De krant schreef: “Ze trokken al spelend door het dorp en begaven zich naar de lommerrijke tuin van kastelein Royackers. Het was erg warm die dag, maar vanwege de vele bomen in de tuin had men daar geen last van. De vele nummers die men ten gehore bracht, deden zien dat ze goed waren ingestudeerd en dat de leiding toevertrouwd was aan een directeur die voor zijne taak goed berekend is”. Men schreef echter ook kritiek in de krant, want “een enkele maal wilde het ons voorkomen of een der bassen niet best stemde en het trillen of vibreren van de 1e cornet beviel minder goed”. Toch vonden de vele toehoorders uit zelfs de omliggende gemeenten dat “de keuze en uitvoering van de stukken uitstekend bevielen!” “Moge deze muziekvereeniging meer en meer groeien en bloeien!”. Na het concert ging men snel naar huis, want er was die week nog meer te doen voor Musis Sacrum. Een raadselachtig bericht In de periode waarin we het archief aan het ordenen waren, vonden we ergens een vage notitie: Niet echt een stuk informatie waar je direct iets mee kunt en toch bleef dat bericht helder aanwezig in het archivarishoofd. Tien jaar na het lezen van die vage notitie, gingen we op onderzoek uit en slaagden wonderwel in het vinden van de juiste informatie. Via de stafkaart van de spoorwegen en wat gebel met het Nationaal Spoorweg museum, kwamen we erachter dat het om een “stoomtramlijn” ging! Op 30 juni 1897 werd namelijk de stoomtramlijn Veghel, Eindhoven, Reusel, Turnhout geopend en speciaal het baanvak Eindhoven, Reusel, Turnhout. De maatschappij die deze lijn exploiteerde, heette ‘TRAMWEGMAATSCHAPPIJ DE MEIJERIJ’. De krant uit Eindhoven e.o. ‘De Meijerijse Courant’ schreef op 3 juli 1897: ” ‘T was feest in Kempenland. De langverwachte dag waarop zoveel hope gevestigd, zoovele blijde verwachtingen gebouwd zijn, was verschenen!”. Jarenlang was er voor gevochten om de verbinding met België tot stand te brengen en het gebied tussen Eindhoven en België te ontsluiten. De krant beschrijft de eerste rit van de stoomtram van Eindhoven naar Reusel. Die tram zat vol belangrijke personen zoals de Commissaris van de Koningin, leden van Provinciale Staten, burgemeesters en directieleden van de tramwegmaatschappij. Die eerste rit ging door een tiental plaatsen en wordt uitvoerig beschreven, waarbij bij elke gemeentegrens de plaatselijke fanfare of harmonie, de burgemeester, het koor enz. klaar stonden om het nieuwe vervoermiddel te verwelkomen. Het was ons nog steeds niet helemaal duidelijk waarom de Bakelse fanfare naar die opening moest, maar bij het lezen van het verslag van Bladels’ opening van de tramlijn, werd het ons snel duidelijk. Het gemeentehuis van Bladel was versierd op een bijzondere wijze, met het wapen van de acht zaligheden, sigaren en heidetakjes, wat zo typisch was voor deze streek. Die versiering was verzorgd door de vrouw van het hoofd der school, mevrouw Loos-Ceele. Zij was een zuster van ons hoofd der school van toen, meester Antoon Ceele. Haar man was niet alleen hoofd der school, maar ook nog dirigent van de Bladelse harmonie ‘L’Union’. Dus de link was gelegd. Mevr. Loos-Ceele had haar broer in Bakel gevraagd: “Komen jullie ook met de fanfare?”. En zo gebeurde het. Janus van de Poel en meester Antoon Ceele gingen samen te voet naar Bladel. De fanfare zou later met de trein en de tram naar Bladel gaan. De opening was een succes met een tramlied, het ‘Wilhelmus’ en ‘Wien Neerlands Bloed’, uitgevoerd door het Bakelse en Bladelse korps. De terugreis verliep niet zonder slag of stoot, want de fanfareleden bewaarden er nog jarenlang “de aangenaamste herinneringen” aan. Wat was namelijk het geval: De fanfare ging met de tram van Bladel naar Eindhoven en kon niet meer verder naar huis, omdat het zo laat was geworden (dat gebeurt altijd als het gezellig is). Er werd besloten dat één van de fanfareleden te voet naar Geldrop zou gaan om daar een paard en wagen te charteren, midden in de nacht! Het duurde wel even voor hij terug was en zijn medemuzikanten oppikte. Het paard moest in Mierlo worden verwisseld en na een lange tocht kwam men op maandagmorgen om 7.00 uur in Bakel aan. Zo was men 3 dagen van huis geweest. Onze krant schreef dat zelfs pastoor van Bokhoven, zelf een muziekliefhebber, het hen niet kwalijk nam en dat wilde in die tijd wel wat zeggen! Op 6 augustus 1897 schreef de secretaris van de Boekelse fanfare ‘Eendracht Maakt Macht’ een ingezonden stuk in de krant, waarin hij opriep tot het vormen van een Bond van fanfare en harmoniekorpsen, zodat men samen in de gelegenheid zou zijn om een nationaal muziekfeest, festival of concours te organiseren en goedkoop instrumenten en muziek zou kunnen aankopen. In dit ingezonden stuk noemde hij de fanfares voor wie deze oproep bestemd was, waaronder ook die van Bakel. Tot die bond zou het voorlopig niet komen.

1898
1898 was voor Musis Sacrum ook best een succesvol jaar. Op 13 februari gaf men weer bij Johannes Vermulst een “groot instrumentaal en vocaal concert”, weer met de welwillende medewerking van zanggezelschap ‘Cingalia’. De eerste zondag in mei had men een afspraak met fanfare ‘Cecilia’ uit Milheeze. “Dit jaar zal fanfare Musis Sacrum uit Bakel hare zustervereeniging uit Milheeze omstreeks 4 uur ’s morgens halverwege tegemoet gaan, waarbij beide gezelschappen de hoofdstraten der gemeente zullen doortrekken. Het is te hopen dat zij door hunne toonen den koekoek zullen wekken en tevens de schoone dagen zullen lokken die zich tot nu toe steeds schuil houden”. In september 1898, wordt koningin Wilhelmina gekroond en vinden er in het hele land “kroningsfeesten” plaats. In Helmond waren ze op 10, 11 en 12 september. Er waren veel toneelvoorstellingen, concerten, vuurwerk en een optocht. Op maandag 12 september, was de optocht door de stad. Met veel praalwagens en alle Helmondse verenigingen. Er liepen in die optocht vier muziekgezelschappen mee, namelijk fanfare ‘Phileutonia’ en de fanfare van de Koninklijke Nederlandse Machinefabriek, beiden uit Helmond, fanfare ‘De Goede Hoop’ uit Aarle-Rixtel en fanfare ‘Musis Sacrum’ uit Bakel. ’s Middags waren er nog volksspelen en ’s avonds was er een fakkeloptocht en tot slot een groot vuurwerk met onder andere luchtslagen, witte, gekleurde en fluitende vuurpijlen, gekleurde bommen en zwermpotten. De koninginnedag van vandaag heeft er nog steeds iets van weg! Op 20 september toog Musis Sacrum weer naar Bladel, want harmonie ‘L’Union’ organiseerde een festival, waarbij Bakel het onderscheidingsteken van het verst komend gezelschap werd uitgereikt en tevens won men de hoogst uitgeloofde premie. Een dubbel succes dus.

HET 25-JARIG BESTAANSFEEST

1899
In het fanfarearchief is veel materiaal van het 25-jarig bestaansfeest bewaard gebleven, zodat we een vrij zuiver beeld kregen hoe men haar zilveren jubileum heeft gevierd. In 1899 had de fanfare 23 werkende leden. Het bestuur bestond uit president Jan Habraken, secretaris-penningmeester Piet van de Poel en de beide commissarissen Joost van Ansem en Peter Jaspers. Het bestuur besloot wegens het op handen zijnde 25-jarige bestaansfeest een festival uit te schrijven. Men besloot bij drukkerij J. van de Reydt in Helmond 50 circulaires te laten drukken waarop vermeld stond dat het festival op 22 mei 1899 gehouden werd. Die circulaires werden naar tal van zusterverenigingen gestuurd met de vraag of men aan het festival wenste deel te nemen. Een inschrijfformulier was bijgevoegd. Elk deelnemend korps zou een herinneringsmedaille ontvangen en degene die het hoogst aantal punten bij elkaar blies, kreeg de zogenaamde “afstandsprijs”. De secretaris van de fanfare, Piet van de Poel, werd ook secretaris van het festivalcomité. Na een poosje kwamen de inschrijfformulieren terug en telde men 9 deelnemers, waaronder Milheeze en Aarle-Rixtel. Op 31 maart ontving Piet van de Poel van harmonie ‘Oefening en Uitspanning’ uit Beek en Donk een briefkaart, die de deelname van Beek en Donk bevestigde. Zelfs toen was Beek en Donk een grote publiekstrekker. Bij juwelier P. van Alphen in Aarle-Rixtel werden de 9 herinneringsmedailles en de afstandsprijs gekocht. Kosten: Fl. 22,75; voor die tijd een smak geld! Zo’n festival vergde nogal wat voorbereiding en er werd op de hoek van de huidige van de Poelstraat een feestpodium gebouwd. Voorzitter J. Habraken was timmerman van beroep, dus het was niet gek dat hij het podium timmerde. Het werd een podium met een soort pergola-achtig dak erboven. De maten op de rekening van de timmerman staan nog uitgedrukt in voet. Een timmerman kon niks zonder spijkers of zoals men toen sprak ‘nagels’. Bij Van Tiel kocht men 12 pond nagels voor Fl. 0,72. Omdat het podium behoorlijk hoog was, werd er een stevige trap voor gemaakt en rondom dichtgemaakt met hekjes. Om het geheel wat oog te geven, werd het podium rijkelijk met dennengroen versierd, waarvoor men 37 dennen gebruikte. Er werden wat guirlandes opgehangen en de bordjes “Welkom” en “1874”, “1899” ontbraken niet. Voor de fijnere afwerking kocht men wat oranjelint, gekocht bij naaister Maria Vriens. De achterkant werd met doek bekleed, net als het dak. Het werd een prachtige kiosk en het feest kon beginnen. Waarschijnlijk heefthet de nacht voor het festival nog geregend, want op de dag van het festival werd er nog snel wat “galgebant” gekocht wat onder het dakdoek werd gespannen om doorzakken te voorkomen. Het was een bijzondere dag voor Musis Sacrum en op bijzondere dagen bestelde men een fotograaf. De fanfare beklom trots haar feestkiosk en poseerde voor de gevoelige plaat. De foto uit 1899 toont ons de fanfare op haar kiosk. Dit was echt een gelegenheidsfoto en de fotograaf had waarschijnlijk al gezien dat niet iedereen even duidelijk zichtbaar was. Daarom besloot men een officiëlere foto te nemen achter het repetitielokaal bij het kerkhof, zodat iedereen te zien was. De Bakelse fanfare had dan wel 23 werkende leden, maar was maar klein vergeleken met de anderen. Als men deelnam aan een festival, moest men van tevoren opgeven met hoeveel personen men kwam. Zo wist Musis Sacrum dat men lang niet voldoende lessenaars had voor het festival, die men daarom voor die gelegenheid leende bij zustervereniging ‘Cecilia’ uit Milheeze. De rekening van het “vervoer der leszenders” is bewaard gebleven en kostte “60 centen!”. Het festival verliep goed en de ‘Zuidwillemsvaart’ schreef: “23 mei Bakel Gisteren heerschte er in ons anders zoo stille gemeente eene groote drukte. Een groot aantal vreemdelingen werden naar hier gelokt, ter bijwoning van het uitgeschreven festival onze harmonie ‘Musis Sacrum’…. De directie van genoemde harmonie komt alle eer toe voor de goede regeling en de schoone herinneringsmedailles. Ieder die het festival bijgewoond heeft, keerde voldaan huiswaarts.” Op 2 juli werden door secretaris / penningmeester Piet van de Poel de laatste rekeningen betaald. In het fanfarearchief bevindt zich nog een oude rekening van café ‘De Kroon’, toen gedreven door Erven van de Poel. Waarschijnlijk is die ook van het feest van 1899, omdat er champagne op staat vermeld. Er wordt een rondje gegeven aan Aarle-Rixtel, dus ook een deelnemer aan het festival! Men dronk toen bier met suiker en moest huur voor het glaswerk betalen. In 1899 vonden er nog meer feestelijkheden plaats, onder andere bij onze zusterverenigingen Aarle-Rixtel en Deurne hield men ook een festival, waar Musis Sacrum ongetwijfeld aan mee heeft gedaan. De vierde jubilaris, namelijk ‘Somerens Lust’, stelde het geplande festival eerst uit en na veel geschrijf bleek dat er wegens geldgebrek in Someren geen festival kwam. In 1899 vond in Bakel nog iets opmerkelijks plaats. In dat jaar reed namelijk de eerste auto door Bakel. Komend uit Gemert, wilde hij naar Deurne, maar reed verkeerd. Wegwijzers waren in dorpen nog niet bekend. Na enig zoeken echter vond hij de juiste weg en reed naar Deurne. De 19e eeuw loopt ten einde en de eerste 25 jaar voor Musis Sacrum zitten er op. De kleine fanfare groeit nog steeds in leden en in prestaties. Het zou nog honderd jaar duren voor de geschiedenis aan het papier werd toevertrouwd. We beginnen aan de 20e eeuw die voor Musis Sacrum nog heel wat in petto heeft.